Door invoering van bedrijfsgerichte doelsturing kunnen agrarische bedrijven zelf kiezen welke maatregelen zij nemen om doelen te halen.
Bedrijfsgerichte doelsturing vraagt veel van het vakmanschap en ondernemerschap van de boer. Om de normen te halen, zijn vaak aanpassingen op het bedrijf nodig. De boer maakt keuzes waardoor het bedrijf voldoet aan de normen én een goed verdienmodel behoudt.
Om bedrijfsgerichte doelsturing mogelijk te maken, moet aantoonbaar zijn dat de uitstoot en uitspoeling op een bedrijf binnen de bedrijfsspecifieke normen blijven. Dat betekent waarschijnlijk dat er meer gemeten moet worden op agrarische bedrijven, of dat er voldoende gegevens aangeleverd moeten worden om de uitstoot en uitspoeling betrouwbaar te kunnen berekenen.
Niet alle agrarische sectoren krijgen tegelijkertijd met bedrijfsgerichte doelsturing te maken. Invoering gebeurt stap voor stap.
Stapsgewijs naar bedrijfsgerichte doelsturing in de landbouw
Het invoeren van bedrijfsgerichte doelsturing is een grote verandering. Er zijn veel stappen te zetten. Hieronder staat aan welke stappen wordt gewerkt. De planning kan veranderen.
We maken voor elke sector een lijst met indicatoren (KPI's). De ‘score’ op een indicator kan veranderen door de keuzes die op het agrarische bedrijf worden gemaakt. Zo ziet de agrarisch ondernemer hoe keuzes op het bedrijf invloed hebben op het behalen van duurzaamheidsdoelen. De wens is dat iedereen - zoals de overheid, banken en fabrieken - dezelfde lijst (de KPI-kernset) gebruikt.
De KPI-kernset is een verzameling van indicatoren die inzichtelijk kunnen maken hoe een bedrijf presteert op het gebied van klimaat, stikstof, waterkwaliteit en andere duurzaamheidsdoelen.
Bij de ontwikkeling van de KPI-kernset is al sinds 2020 een kennisconsortium met onder meer Wageningen Universiteit (WUR) en Boerenverstand betrokken. In februari 2026 heeft WUR de wetenschappelijke onderbouwing voor een KPI-kernset melkveehouderij en akkerbouw opgeleverd.
Een KPI-kernset is nodig om bedrijfsgerichte doelsturing mogelijk te maken. In plaats van precies voor te schrijven hoe een boer moet werken, kan de overheid sturen op het resultaat. De KPI’s maken de prestaties van een bedrijf meetbaar en vergelijkbaar. Dit geeft boeren meer ruimte om hun eigen vakmanschap te gebruiken om de doelen te halen. Daarnaast kan de KPI-kernset worden benut door overheden, marktpartijen en andere stakeholders bij de ontwikkeling van doelsturingsmethodieken. Vaststelling van de KPI’s die in de toekomst voor bedrijfsspecifieke normen kunnen gaan gelden, kan pas na politieke besluitvorming.
Om de KPI-kernset toe te passen voor bedrijfsgerichte doelsturing, is een goede wettelijke borging nodig. Voor meerdere KPI’s die in het rapport zijn uitgewerkt, moeten daarvoor nog stappen gezet worden. Zo zijn niet alle onderzochte KPI’s hiervoor nu al nauwkeurig genoeg of ontbreken nog betrouwbare databronnen. Dit oplossen vergt meer onderzoek. Vanuit het programma bedrijfsgerichte doelsturing stuurt het ministerie van LVVN op de doorontwikkeling van de KPI-kernset en het verbeteren van de databronnen.
De KPI-kernset heeft meer toepassingen. Zo kunnen agrarisch ondernemers deze gebruiken voor het nemen van managementbesluiten en kan op basis hiervan de voortgang in verduurzaming van de landbouwsector gemonitord worden.
Het is de bedoeling dat er één KPI-kernset komt voor alle doelsturingsinitiatieven, gericht op de agrarische sector. Wanneer marktpartijen, zoals banken en zuivelbedrijven, vanuit dezelfde KPI-kernset op verduurzaming sturen als de overheid, zal het voor de agrarisch ondernemer gemakkelijker zijn om integraal op verduurzaming te sturen.
Ook in andere sectoren dan de melkvee en akkerbouw is interesse in het werken met een integrale KPI-kernset .Vanaf 2026 gaan de onderzoekers ook aan de slag met de wetenschappelijke onderbouwing voor een KPI-kernset voor andere sectoren zoals de varkenshouderij, de pluimveehouderij en de fruit- en bollenteelt.
Het ministerie van LVVN wil in 2026 bedrijfsspecifieke emissienormen voor klimaat en stikstof bekend maken voor melkvee-, varkens- en pluimveehouderijen. Dit zijn de normen waar deze bedrijven in 2035 aan moeten voldoen.
Bij de bekendmaking van de normen wordt ook duidelijk welke indicatoren worden gebruikt om de ‘score’ van een bedrijf te bepalen. Elke veehouderij kan met de informatie die bekend wordt, een inschatting maken hoe groot de opgave is om in 2035 aan de bedrijfsspecifieke emissienormen te voldoen. Tot 2035 kan op het bedrijf toegewerkt worden naar de bedrijfsspecifieke emissienormen voor klimaat en stikstof.
Het ministerie van LVVN werkt aan een ingroeipad richting 2035. Hierin willen we agrarisch ondernemers ondersteunen om uitstoot te verminderen. Wel moet elke sector in 2030 al een eerste doel hebben gehaald. Vanaf 2035 gaat de overheid handhaven of boeren zich aan de normen houden.
Bij emissienormen gaat het om de maximale uitstoot naar de lucht van stikstof en broeikasgassen. Bij het vaststellen van de normen, kijkt het ministerie naar veel verschillende zaken. Zo wordt onderzocht hoeveel emissiereductie op bedrijfsniveau technisch haalbaar is. Ook wordt er gekeken naar bedrijfseconomische impact en de wisselwerking met andere opgaven.
Melkveehouderijen
- In februari 2026 is de wetenschappelijke onderbouwing voor de KPI-kernset melkvee en akkerbouw opgeleverd. Hierin staat op welke indicatoren gestuurd kan worden [link rapport].
- In december 2025 is een onderzoek opgeleverd over hoeveel vermindering van ammoniak-, methaan- en lachgasemissies technisch gezien gerealiseerd kunnen worden in de melkveehouderij.
Varkenshouderijen
- In 2026 wordt de wetenschappelijke studie naar KPI-keuzes voor varkenshouderijen opgeleverd. Dit brengt in beeld op welke indicatoren gestuurd kan worden voor broeikasgassen. Voor stikstof is dit eerder in beeld gebracht in 2025 [PM link].
- Er wordt een studie uitgevoerd naar het technisch reductiepotentieel van maatregelen in de varkenshouderij, voor ammoniak-, methaan-, en lachgasemissies. Daarbij wordt ook gekeken naar wat de bedrijfseconomische impact is. Oplevering wordt in 2026 verwacht.
Pluimveehouderijen
- Er wordt een studie uitgevoerd naar het technisch reductiepotentieel van maatregelen in de pluimveehouderij, voor ammoniakemissies. Daarbij wordt ook gekeken naar wat de bedrijfseconomische impact is. Oplevering wordt in 2026 verwacht.
Agrarische bedrijven kunnen vanaf het najaar 2026 deelnemen aan een vrijwillige doelsturingsmethodiek voor grondwaterkwaliteit. Om de kwaliteit van het grondwater te bepalen, wordt gekeken naar het N-mineraal en het stikstofbodemoverschot. LVVN werkt aan het opstellen van een subsidieregeling om de kosten van metingen te vergoeden.
Agrarisch ondernemers kunnen de uitkomsten van de metingen benutten om hun teelt- en bemestingsplannen te verbeteren en zo een bijdrage te leveren aan de waterkwaliteit.
Streven is dat vanaf 2035 elk agrarisch bedrijf binnen de normen blijft voor de uitstoot van broeikasgassen en stikstof. Bedrijven die daar dan nog niet aan voldoen, zullen een boete of een andere sanctie krijgen.
Hoe er gehandhaafd gaat worden op het behalen van de normen, is nu nog niet bekend. Hier wordt aan gewerkt door het ministerie van LVVN, samen met NVWA en RVO.
Een belangrijk uitgangspunt is dat bedrijfsgerichte doelsturing niet vrijblijvend is: het behalen van de doelen is een verplichting. Dat betekent dat bedrijven die daar niet aan voldoen, hierop afgerekend worden. Om te kunnen handhaven is het van belang dat er op een betrouwbare en transparante manier gemeten of berekend kan worden of een bedrijf aan de normen voldoet. De systematiek hiervoor is nu nog niet ontwikkeld.
Met een stoffenbalans kunnen bedrijfsprestaties vastgesteld worden voor de emissies van broeikasgassen, ammoniak, nitraat en fosfaat. Zo’n stoffenbalans kan gebruikt worden voor bedrijfsgerichte doelsturing.
Doel van de stoffenbalans is dat hiermee berekend kan worden hoeveel emissies akkerbouw- en melkveebedrijven uitstoten. En of deze bedrijven daarmee binnen de gestelde normen blijven.
Op dit moment is er nog geen stoffenbalans die dit nauwkeurig en transparant genoeg kan berekenen. Wageningen Universiteit (WUR) komt begin 2026 met een rapport waarin staat welke gegevens nu al beschikbaar zijn om de emissies te berekenen. Er zullen pilots uitgevoerd worden om in de praktijk toe te werken naar een prototype voor een stoffenbalans. Inzichten uit eerdere projecten worden hierin meegenomen.